Waarom pelgrims het industriegebied overslaan (Naar Rome 1)

Tekst: Klaas van der Veen    Foto's: Klaas van der Veen

Praktische informatie

Oude bekende Klaas van der Veen gaat in 2015 tijd niet naar Schotland, een van zijn favoriete bestemmingen, maar te voet naar Rome. Voor De Vrije Wandelaar schrijft hij een serie columns over zijn voornemen, waarbij de voorpret niet overgeslagen wordt. Mensen die hem kennen (en anderen binnenkort) weten dat ons geen clichés over pelgrimstochten te wachten staan, maar echte ‘Klaas’-invalshoeken. Deel 1: waarom pelgrims woonwijk en industriegebied overslaan.DVW_Verkenningen_banner150x150

 

 


Artikel

Print Friendly, PDF & Email

Ik testte een paar wandelschoenen door er 25 km op te lopen in de buurt. De tocht voerde me langs het Wilde Westen van IJmuiden. Op zoek naar een oude torpedobunker liep ik door het industriegebiedje aan de Kromhoutstraat. Ik heb er genoten. Ik wist niet wat ik ervan moest vinden, werd raar aangekeken vanuit auto’s en … kwam ogen tekort.

Elke pelgrim heeft zijn antwoord klaar op de vraag ‘bent u een toerist of een pelgrim?’ Het antwoord ‘toerist’ komt niet voor. Hooguit ‘wel eens toerist, maar dan van spirituele plekken’. De gewone wandelaar vindt zichzelf evenmin toerist. Toch. In elk pelgrimsreisverslag kun je turven: ja, ze volgen het advies van een reisgids; ja, ze slaan vermeend saaie stukken over. En ja, ze doen daar netjes wat alle toeristen doen: het mooi vinden, er foto’s van maken, controleren of die kloppen met de verwachtingen en tot slot zeggen ‘nu ben ik echt lekker op reis’.

Vies en vuig
In geen enkel pelgrimsboekje ontbreekt de veroordeling van industriegebied en buitenwijk. Dat is niet vreemd. Kerken en forten werden altijd al mooi gevonden, ze zijn gecanoniseerd. Natuur werd vanaf eind 18de eeuw mooi gevonden, dat komt op het conto van de romantische dichters en schilders. Eind 19de eeuw schilderden de impressionisten voor het eerst dorpsgezichten en stadsparken. Het stadspark is gecultiveerde natuur, en het dorp, wel, daar zijn de mensen goed. Die plekken mogen daarom ‘meedoen’.

Maar de stad, die verdorven plek vol hoeren, homo’s en sjacheraars? Die is vies en vuig en immoreel. Stalin en Hitler hielden van sterke, half ontblote boeren, gezond blozende boerinnen, die ten tijde van oorlog eventueel tanks in elkaar sleutelden, maar de stád, dat nooit.

Baanbrekend
Na de Tweede Wereldoorlog gaat het snel: Amerikaanse fotografen en schilders beelden auto’s af, café’s, suburbs, wolkenkrabbers. De kunstfotografie voltooit de acceptatie van stad en industrie als iets dat mooi kan zijn. Baanbrekend, en foei als u ze niet kent, zijn Bernd en Hilla Becher. Zij fotografeerden met machinale precisie duizenden mijnschachten, hoogovens en draglines. Zij zijn de leermeesters van een hele sleep fotografen als Thomas Struth of Andreas Gursky.


Heel vilein kan de conclusie zijn: wandelaars zijn conservatief. Cultureel van voor de twintigste eeuw, in de dagen dat het wandelen, en hoe je dat hoort te doen, zijn uitgevonden. Daarom is de industrie en de buitenwijk, het snelwegknooppunt en de haven, amper doorgedrongen tot ‘wat zij mooi kunnen vinden’. Dat zie je terug in de pelgrimsreizen: men waardeert het historische stadshart. Wat je ervan moet vinden is bekend. Men waardeert de natuur, waarover vele natuurmonumentenkalenders nimmer iets onzeglijks hebben vertoond of verteld. En het platteland, dat Boer zoekt Vrouw zo aantrekkelijk maakt.

Voorgekauwd
Wee die lastige zone tussen autoluw stadshart en helende natuur. Met al zijn prikkels en ongewenste levensvormen. Er zijn daar veel mensen die bepaald niet tot dezelfde soort behoren als de vrij hoog opgeleide, blanke wandelaar. De bebouwing heeft vaak de verkeerde schaal en is niet ‘mooi’. En er is daar geen waardering voor ‘te voet gaan’. Niet toevallig som ik hier precies de dingen op die de buitenwijk zo aantrekkelijk maken. Er is niets voorgekauwd. Je moet er zelf de weg vinden, voedsel zoeken (een bakker), een schuilplaats (B&B), en mensen uit jouw stam herkennen. Je moet ook de wilde dieren ontwijken (figuren in steegjes, hooligans). Kortom: je doet er van alles dat je in de oertijd in de natuur deed. Dat is intensief, maar leuk.


Avontuurlijk

Die natuur is tegenwoordig prikkelarm en extreem veilig. Dat is zeker ergens goed voor, maar de pelgrim zou er goed aan doen om niet een bus, trein of metro te pakken om de ondraaglijke tijd tussen de behapbare sights te verkorten. Het levert meer op om alles te lopen, zodat hij of zij kan oefenen met het esthetisch waarderen, voor zichzelf boeiend maken, van woonwijken en bedrijventerreinen. Zoals bij een rijtjeshuis aanbellen voor water, bij een autohandel vragen of je er even naar de wc mag. Boodschappen doen in een schimmige avondwinkel, of eten in een truckerscafé. Het helpt, en is zeker avontuurlijk.

Ik verlang er al jaren naar om het Ruhrgebied te doorkruisen. Onderweg richting Rome zal ik de natuur van de Eiffel links laten liggen om tussen Autobahnkreuze en bergen sintels op zoek te gaan naar die mijnschachtbokken van het echtpaar Becher. En de beste worstverkoper van Oberhausen staat daar ergens naast een rangeerterrein.

Verdikkeme. Heb ik tóch een toeristisch lijstje.

Maar het cordon sanitaire rond de buitenwijk heb ik in elk geval verbroken.

2014

4 reacties

  1. Woonwijken en industriegebieden maakten mij als pelgrim (extra) eenzaam onderweg naar Rome.
    Maar ze hoorden er idd wel bij en ik had ze niet willen missen.
    Evenmin als de hoeren, de daklozen en de buitenlanders.

    Bus, trein en lift zijn not done voor een echte pelgrim.
    Terwijl kerken weer een must zijn.

    Just 2 cents van een conservatieve pelgrim.

  2. Klaas heeft een lekker provocatief artikel geschreven. Als je te kieskeurig bent bederft je je eetlust, dwz het vermogen nieuwsgierig te zijn en je geest met nieuwe indrukken te voeden. Maar die veelgesmade romantici hebben niet zomaar willekeurig het ‘moois’ uitgevonden. De romantiek viel samen met de snelle opkomst van de moderne technologie die ons godzijdank de centrale verwarming en keyhole operaties met verdoving heeft bezorgd, maar die vanaf het begin ook een steeds verder accelererende natuurvernietiging met zich meebracht. Ik denk dat er een goede natuurlijke basis voor een deel van onze esthetische waardeoordelen is – naast je ogen heb je ook andere zintuigen (weet Klaas als bergsporter). Er zijn heel mooie foto’s te maken van olievlekken op een rivier, maar een kat maakt een boog om rotte vis. Ik denk ook dat een ontwikkeling die de grenzen aan de groei ècht respecteert esthetisch een heel positieve ontwikkeling zal zijn – zie eens hoe mooi de Japanners eeuwenlang woekerden met het weinige dat ze hadden. Hoe denk jij daar als ontwerper en ondernemer over, Klaas?

  3. dag Paul,

    Ik trek dezelfde stippellijn als jij en loop om ‘rotte vis’ heen. Ook de natuurvernietiging baart mij wel zorgen. Maar de romanticus gooit álle moderne menselijke maaksels op de mestvaalt. Er is op esthetisch vlak veel te zien in nieuwe steden en industrie, (Zeche Zollverein in Essen is echt prachtig) en op sociaal-cultureel vlak is er in de natuur domweg niets te doen, terwijl in de stadsrand de subculturen welig tieren, als in een jungle. Een mooie foto van een olievlek is goed, omdat we eerst denken ‘wat mooi’, zodat het daaropvolgende ‘wat erg’ hard binnenkomt.
    Als burger is iedereen voor grenzen aan de groei. Maar de consument in ons is zwak. Ikzelf ebn van de ouderwetse duurzaamheid: weinig kopen, alles opgebruiken, en maat houden. Een moderne ondernemer moet zn bijdrage leveren, maar zorgen dat de monden gevoed zijn kan nooit op de tweede plaats staan. Het leveren van die bijdrage wordt steeds makkelijker (of: het wordt steeds moeilijker te verkopen om smerig te zijn). Esthetisch is dat zeker een plus.

    Het is leuk voor ieder mens om even stil te staan bij de herkomst van zijn esthetische blik. En het is ook goed om de ‘eenzaamheid’ die je kan voelen in een stad even te ontleden als een optelsom van ‘misplaatst zijn’, ‘geen aandacht krijgen’, en je onthand voelen.

  4. Hallo Klaas,

    Industrie-architectuur: natuurlijk kan het broodnodige mooi zijn, goed aangepakt is het mooier dan wat ook. Ik heb pas een paar voettochten door de stadsrandmengelmoes van de oude Weense industriewijk Ottakring gemaakt voor het NL Aardrijkskundig Genootschap. Fascinerend, maar ik ben wel blij dat het niet meer stinkt. Het verslag van mijn ontdekkkingsreis komt in Geografie. Ook hebben Rietveld’s huizen aan het eind van de Utrechtse Prins Hendriklaan, die zo radicaal breken met het romantische bouwen, als kind een grotere indruk gemaakt dan de pseudo-rurale cottages waartussen ik in Bilthoven opgroeide.

    De eenzame wandelaar: ik ben blij dat er sociaal-cultureel in de natuur niets te doen is; ik dacht dat jij dat gevoel in de Hooglanden ook had. Er is natuurlijk niets tegen dat je ook ‘im Dickicht der Städte’ (Brecht) met jezelf geconfronteerd kunt worden – de voetganger stelt zich bloot aan het avontuur, accepteert dat hij de meest kwestbare stadsbewoner is.

    Tot slot help ik je hopen dat het leveren van een bijdrage aan duurzame ontwikkeling steeds makkelijker zal worden – na bijna drie decennia werk voor de VN op industriegebied ben ik niet heel optimistisch. Maar ik ben al te lang voetganger om geen stugge doordouwer te zijn.

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.