Denderen door het Oostenrijkse Dunkelsteinerwald

Tekst: Paul Hesp    Foto's: Paul Hesp

Kaart

Praktische informatie

Het Dunkelsteinerwald is ook prima geschikt voor relaxte ommetjes langs een dicht netwerk van gemarkeerde paden. Op de steile rand langs de Donau heb je hier en daar spectaculair uitzicht over de prachtige Wachauvallei met zijn beroemde wijngaarden. De Österreichische Jakobsweg naar Santiago de Compostella loopt door het gebied en doet Maria Langegg aan, waar ook overnacht kan worden. Krems (een uur met de trein van Wenen) is het meest voor de hand liggende startpunt voor tochten, maar binnen het gebied is openbaar vervoer (net als horeca) heel beperkt.

Kaart: Österreichische Karte 1:50.000, blad 4323 Sankt Pölten.

Links
Jakobsweg: www.jakobswege-a.eu

Maria Langegg: http://maria-langegg.kirche.at

Andere bezienswaardigheden en horeca: www.arge-dunkelsteinerwald.at

Openbaar vervoer: www.postbus.at


Artikel

Print Friendly, PDF & Email

De Schotse bergsportpionier Naismith had een vuistregel voor tochten: vijf kilometer per uur, en iedere 600 meter stijgen gelden ook als vijf kilometer. Wat jaren geleden dacht ik: kun jij dat nog een dag lang? Het antwoord bleek bevestigend.

Ik heb nooit veel opgehad met medailles, records of andere bewijzen van goed atletisch gedrag. Maar met het ouder worden kwam toch de vraag: wat lukt me nog? Ik ging dus af en toe vanuit Wenen een lange dagtocht maken door het Dunkelsteinerwald, een golvend plateau met grote naaldwouden en wat boerendorpen. Ik hou van dit landschap en verenig graag het nuttige met het aangename.

Het eind van de wandeling voert door het onwaarschijnlijk schilderachtige stadje Stein aan de Donau. Ben ik binnen de norm (en dat ben ik tot nu toe steeds), dan beloon ik mezelf met een glaasje in een Heuriger, het taplokaal van een wijnboer, voordat ik naar station Krems, mijn ‘officiële‘ eindpunt, slenter.

Veertig km
Als fitnessmaatstaf gebruik ik Naismith‘s vuistregel voor het plannen van tochten: de Schotse berpsportpionier ging uit van vijf kilometer per uur (netto looptijd), waarbij je voor iedere 600 meter stijgen ook een uur rekent. Mijn route is 33 kilometer lang met 900 meter stijgen, het equivalent van ruim zeven kilometer. Veertig kilometer in acht uur dus. Afgelopen oktober wist ik een paar leden van onze VN wandel- en bergsportclub in Wenen te motiveren voor de test.

Lekker op tempo
Op een schitterende herfstmorgen verlaat ik met Delia uit Oezbekistan, Won Woo en zijn vrouw Soon Ae uit Korea en Günter uit Oostenrijk om 09.03 uur het startpunt, de treinhalte Meidling im Tal. Het bos slokt ons binnen vijf minuten op. Eerst gaat het langs een bosweg totdat die het diep ingesneden dalletje van een beek kruist; dan volgen we de oever langs een smal pad dat gaandeweg onder braamstruiken en in de modder verdwijnt. Maar we zijn al bijna op het plateau, waar een mooie doorsteek over het verend gras- en naaldentapijt van een groot dennenbos gemaakt kan worden. Daarna volgen we brede boslanen naar het boskapelletje Weisses Kreuz, populair startpunt voor zondagse ommetjes. Van de parkeerplaats wordt het voorbijschietende gezelschap, met name de vrolijk kletsende Koreanen, verbijsterd nagestaard.

Het landschap verandert nu van karakter. Kronkelende bospaden kruisen valleitjes en bulten, later is er grasland en hakhout waar ooit een keuterboerderijtje gestaan heeft. Boven de rand van bos en wei horen we miauwen: buizerds draaien traag rondjes. Bij de grote hoeve Wetzlarn pauzeren we; in het zonnetje aan de beschutte bosrand zittend voel ik me even wegglijden. Maar de anderen zijn net lekker op tempo, dus na tien minuten zijn we weer weg. Weer een stukje crossen en langs de bron van de Viehausenbach waar in het voorjaar hele tapijten van moerasbloemen groeien; dan verder door een statig sparrenwoud.

Frisse energie
Bij het gehucht Nonnenhofen bereiken we open land, de lange strook akkers en weiden die in de bedding van een geologische storing dwars over het hele plateau loopt. De magen beginnen te rommelen, gelukkig naderen we het dorp Gansbach. Vele jaren waren mijn vrouw en ik de enige stamgasten ‘van buiten‘ in café-restaurant Freisleben, hèt ontmoetingspunt van de streek. De waardin had wat van de Franse filmster Jeanne Moreau, ook dat licht verloederde, en er hing dus altijd een kluit mannen aan de tap. Als Herr Doktor kon ik dat niet maken, bovendien had ik Evelyn al. Een paar jaar geleden was mevrouw Freisleben het tappen en haar bewonderaars beu en verkocht de boel aan de bouwer van een bejaardentehuis.

Lang was ik ontheemd, maar de oorspronkelijke dorpskroeg van de familie Freisleben, die ik alleen als krot kende, is door een ondernemende plaatselijke boer net gerenoveerd. Een weelderig gebouwde Tsjechische zorgt ook aan de tap van ‘Zur Scharfen Kurve‘ voor gezellige drukte en met de middaghap kunnen we er net als vroeger weer een halve dag tegen.

De frisse energie is ‘s middags direct nodig. Op het net voetbrede pad omlaag naar de vallei van de beek waaraan het dorp zijn naam ontleent moet je op de rem staan en daarna volgt een even steile klim naar het oude pelgrimsoord Maria Langegg. Op weg omhoog hoor ik achter me een ritmisch blazen. Dan dendert Günter als een locomotief langs ons heen en verdwijnt uit het zicht. Bij de afslag naar het klooster, die hij blindelings voorbijgestoomd is, moeten we hem terugfluiten. We nemen even tijd voor het rijke barokinterieur van de kerk met zijn fantastische trompe l’oeil frescos, de Koreaanse camera’s klikken continu.

Dan zetten we de klim voort tot we bij de Kreuzberg het hoogste punt van de tocht achter de rug hebben en wat uitblazen onder een al verblekend herfstzonnetje. Na de Kreuzberg komen de mooiste kilometers: bemoste, schemerige bospaden onder de Felberleiten waar ik nog nooit iemand gezien heb. Maar een paar diep ingesneden holle weggetjes bewijzen dat dit niet altijd een verlaten hoek van het grote woud was.

Een paar welverdiende glazen
Boven Oberbergern ben je ineens uit het bos en sta je aan de rand van een volkomen ander, wijds landschap van akkers en wijngaarden. Een oude Romeinse patrouilleweg, waar de geulen van de karrenwielen in de rotsige bodem nog te zien zijn, voert ons naar omlaag naar de Donau. Nog een ommetje door een holle weg, een ware canyon, en we zijn in Mautern, ooit de Romeinse nederzetting Favianis. Aan de Donau staan de resten van het castellum; over het water, in het land der barbaren, ligt onze bestemming.

We bereiken de Donaubrug om 17.27, een mooie prestatie: 8 uur en 24 minuten zijn we tot hier onderweg geweest; na aftrek van precies anderhalf uur pauze hebben we 6 uur en 54 minuten gelopen. Station Krems is nog drie kilometer weg, een dik half uur in dit tempo. We hoeven ons niet verder te bewijzen en slenteren door de bochtige stegen van Stein omhoog naar een Heuriger met dakterras. Met uitzicht over eeuwenoude huizen genieten we van een paar welverdiende glazen; als de kille schemering valt rekken we deze prachtdag nog wat in de warmte van een pizzeria.

2014

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.