Walsen door het Wienerwald

Tekst: Paul Hesp    Foto's: Paul Hesp

Kaart

Praktische informatie

Kaart en route
Österreichische Karte Wien-Umgebung 1:50.000, de officiële topografische kaart. Voor een wandeling als deze, een combinatie van gemarkeerde en ongemarkeerde paden en wegen, is dit de beste kaart. Op www.wien.gv.at/umwelt/wald/freizeit/
wandern/wege.html
vind je een overzicht van de gemarkeerde wandelroutes rond en in Wenen. De Toiflhütte ligt aan de Rund-um-Wien Wanderweg 11.

Tips
– Aan de oostrand van de stad ligt het Nationalpark Donau-Auen, een bijna Hollands landschap van oude riviermeanders, loofbos en bouwland (alleen vind je het zo niet meer in ons land). Metrolijn U2 naar Aspern, daar overstappen op bus 26A naar Groß Enzersdorf (eindpunt). Kaart: zie boven.

– Achter het centraal station van Bratislava – een uur met de trein van Wenen – loop je zo de Kleine Karpaten in. Het landschap lijkt erg op dat van het Wienerwald rond Wenen.


Artikel

Print Friendly

Bij het Wienerwald denken de meesten aan een wals van Johann Strauss. Maar wie op een dansvloer uit de voeten kan, kan dat in het Wienerwald nog beter. Een wandelingetje door een beukenkathedraal zo groot als de Veluwe, gesterkt door Bratlfettbrot van een Jausenstation.

De doorsnee toerist gaat naar Wenen voor de Stefansdom, de paleizen, de snorkerige negentiende-eeuwse Ringstrasse, een avondje in Grinzing bij een gegarandeerd toeristische Heuriger – een wijnboer met buffet – en misschien een concert. De wat avontuurlijker aangelegden gaan de Karl Marxhof, pronkstuk van de vooroorlogse sociale woningbouw, bekijken. Het Wienerwald? Iets uit een wals van Johan Strauss.

Dit bos is ongeveer even groot als de Veluwe en sluit naadloos aan op de Voralpen, het middengebergte dat de overgang naar de ‘echte‘ Alpen vormt. Rond Wenen domineert er de beuk; verder weg en wat hoger vind je ook naaldwoud. De dorpen, knooppunten in een dicht padennetwerk, brengen met hun akkers en weilanden afwisseling in het landschap en bieden de vermoeide wandelaar lafenis en onderdak.

Slotparken
Het grootse deel van het Wienerwald ligt buiten Wenen; het dankt zijn naam aan het feit dat het de groene long van de Donaumetropool is. Ruim een eeuw geleden besloten vooruitziende burgervaders dat aan de west- en noordkant van de stad (de kant van het Wienerwald) niet meer gebouwd mocht worden: het woud moest recreatieruimte voor de anderhalf miljoen Weners blijven. Met een even vooruitziende blik legden ze een groot netwerk van trams aan, en verschillende daarvan – de lijnen 41 en 43 bijvoorbeeld – brengen je dank zij de bouwstop nog altijd van het centrum tot praktisch aan het bos.

Ik pak lijn 41 van de Ring naar Pötzleinsdorf. Een minuut van de eindhalte loop ik het Pötzleinsdorferpark binnen. Het was ooit een slotpark en is met z’n tempeltje en neo-klassieke beelden nog altijd een sjiek stukje buiten. Hoewel het kleiner is dan het Vondelpark leeft er een roedel herten. Vandaar de vele aanmaningen op de paden te blijven: de dieren willen met rust gelaten worden.

Achter het park loop ik de Schafberg op. Boven wacht een prachtig uitzicht over de villawijk Dornbach, met daarachter de statige beukenrand van het Wienerwald. Wat kronkels omlaag en ik ben in het volgende slotpark, het Schwarzenbergpark. Het hoorde bij een buitenverblijf van een van de machtigste adelsgeslachten van het oude keizerrijk. De macht van de Schwarzenbergs is nooit helemaal verdwenen: een nazaat werd na de val van het communisme minister van buitenlandse zaken van Tsjechië – de familie heeft wortels in het oude Bohemen.

Lunch in het buitenland
Het Schwarzenbergpark gaat via weiden en boomgroepen vloeiend over in het Wienerwald; mijn grind weggetje wordt een bospad. Afgezien van wat motorgeraas is ieder spoor van de grote stad nu verdwenen. Het pad klimt omhoog naar een rug. Dit is de kam van de Alpen, waarvan de Bisamberg net over de Donau het oostelijke puntje is. Ik ben nu ook aan de grens van Wenen: op de noordhelling begint het Land Nederoostenrijk.

Tijd voor de lunch; ik zoek het dichtstbijzijnde horecabedrijf in het buitenland op. Bij de Toiflhütte, midden in het bos, word ik begroet door een goedmoedige lobbes van een hond en wat scharrelkippen. Het is een typisch Oostenrijkse gelegenheid, een boerderij uitgegroeid tot Jausenstation, een simpel soort uitspanning (een Jause is een kleine maaltijd). Op een boerderij mag in Oostenrijk alles verkocht worden wat ter plekke geproduceerd wordt; de Heurigen werken volgens hetzelfde principe. Ik kies voor een Bratlfettbrot – zelfgebakken brood met gestolde jus, prima voor de bloedvaten – en een glas Most (cider) uit eigen boomgaard. Wranger dan de Franse of Engelse variant, maar een prima dorstlesser. Hoewel er aardig wat klanten zijn is het heerlijk rustig: je kunt hier alleen te voet of per fiets komen.

Uitzicht met schnitzel
De kortste weg terug is ook de mooiste: bijna recht omlaag van de Toiflhütte langs een overgroeid bospad een beekvallei in en zigzaggend door de beukenkathedraal weer omhoog naar de kam van de Alpen. Dan langs de kam richting Häuserl am Roan. Het huisje aan de ‘roan‘ (de ‘oa’ wordt uitgesproken zoals de Amsterdamse ‘aa’ in Jordaan) of rand van de kam heeft een groot terras met een prachtig uitzicht. Er worden schnitzels geserveerd. Maar met al dat Bratlfett kan ik nog wel even vooruit.

Terug naar de stad dus, langs een steile holle weg die uitkomt bij de Dreimarkstein, het punt waar de grenzen van de vroegere dorpen Döbling, Hernals en Weidling elkaar treffen. Nog iets verder omlaag, in de Dreimarksteingasse, verkondigt een gedenkplaat dat Johann Strauss hier zijn eerste wals schreef, in wat toen nog een boerderij geweest moet zijn – nee: het was niet Geschichten aus dem Wienerwald. Vijf minuten later ben ik bij de eindhalte van bus 35A. Ik loop een stukje richting stad en vind een paar èchte Heurigen, herkenbaar aan de traditionele dennentak boven de ingang. Ik heb de wandeling goed gepland: net borreltijd.

2012

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.