Natuur in de stad (1)

Kennelijk is natuur niet voor iedereen een begerenswaardige zaak. De dichter Bloem hield het voor een stukje bos ter grootte van een krant of een heuvel met wat villaatjes ertegen.* Voor onderwijzer-natuurbeschermer Thijsse was natuur overal in Nederland aanwezig: het boerenland met zijn slootjes en weilanden vol bloemen, de rivieren en de duinen. Van dat rijk geschakeerde boerenland is niet veel meer over. Natuur is tegenwoordig vooral ruig en wild, met herten en grote grazende runderen.

En de stad? Vroeger was de stad de tegenhanger van de natuur. Dat waren huizen, stenen, bruggen en straten. Natuur was daar ver te zoeken. Sommige steden hebben nog steeds het idee van een groene mal om de stad: dan blijft er in de buurt van de stad tenminste nog natuur over. In dat idee is de stad de vijand van de natuur. Maar de maïsakkers en de groene biljartlakens van het huidige boerenland rondom de stad hebben niet veel meer van doen met natuur: het zijn de industrieterreinen van de intensieve landbouw geworden. Een groene mal om de stad is gebaseerd op een beeld van het boerenland dat alleen nog in de herinnering bestaat.

Met het verdwijnen van de natuur rondom de stad, komt de vraag op naar de natuur in de stad. Is de stad wel de vijand van de natuur? Kan er geen symbiose zijn van wonen, werken en natuur? Onderzoek wijst uit dat het aantal plantensoorten in de stad aanzienlijk groter is dan op het huidige boerenland. Steeds meer probeert men nieuwe wijken een groen karakter te geven.

Over de natuur in de stad gaat deze rubriek van onze medewerker Jan van der Straaten. Dit is de eerste aflevering.

J.C. Bloem, begin van het gedicht De Dapperstraat:

Natuur is voor tevredenen of legen. En dan: wat is natuur nog in dit land? Een stukje bos, ter grootte van een krant, Een heuvel met wat villaatjes ertegen.