Over een visserspad in Alentejo

Tekst: RD    Foto's: Bernd Hendel

Kaart

Praktische informatie

Erheen
Vliegen naar Lissabon. Van Lissabon naar de startplaats Porto Covo: bustickets kunnen vooruit worden besteld via www.rede-expressos.pt. Het zijn genummerde stoelen, de busrit van ca. 180 km kost € 15,50. Bussen vertrekken in Lissabon vanaf metrostation Sete Rios. De reis duurt ca. 3 uur.

Route
De Rota Vicentina is nog in ontwikkeling en kent twee routes: de Historische Route van 241 kilometer (Caminho Histórico) en het Visserspad (Trilho dos Pescadores) van 115 km. Het Visserspad dat wij liepen is blauw-groen gemarkeerd en bestaat uit vier etappes: Porto Covo – Milfontes, Milfontes – Almograve, Almograve – Zambujeira do Mar, Zambujeira do Mar – Odeceixe. Kijk voor informatie over de Rota Vicentina op www.rotavicentina.com (Portugees en Engels). De site, die nog in ontwikkeling is, biedt een overzichtskaartje en de mogelijkheid tot een gps-route.

Overnachten
In Porto Covo, Milfontes, Almograve, Zambujeira do Mar en Odeceixe is een flink aanbod van informele kamers en/of chiquere hotels (Milfontes). Almograve heeft een mooie en goedkope jeugdherberg waar ook senioren mogen overnachten.
Kijk voor landelijk gelegen overnachtingsadressen in het beschreven gebied op www.casasbrancas.pt (ook in het Engels).

 

O Nosso Mundo


Artikel

Print Friendly

Portugal is veel meer dan de Algarve. In Alentejo, de regio erboven, werd afgelopen zomer een nieuwe wandelroute geopend. De Historische Route (Caminho Histórico) volgt het binnenland en is ook toegankelijk voor mountainbikers. Wij liepen het Visserspad, pal langs de kust. Beide routes lopen van noord naar zuid door het natuurpark Parque Natural do Sudoeste Alentejano en Costa Vicentina, een langgerekte en beschermde strook tussen Porto Covo en Cabo de San Vicente.

De zee
Beneden bij het haventje in Porto Covo – waar anders? – begint het Visserspad. Gewoon de grote inham oversteken met het risico van natte voeten en weer naar boven klimmen. Dan moet je wel minstens één keer achterom kijken: er liggen prachtige strandjes en rotsen, er zijn stille hoekjes waar de vissershengel wordt uitgegooid. En natuurlijk is er de zee! Vanaf nu verlaat het geluid van de zee ons geen seconde meer. Soms wild, soms rustiger, de zee is onze constante begeleider op de route. Aan de overkant ligt Ilha Pessegueiro, een onbewoond eiland dat alleen onder professionele begeleiding begaanbaar is. Op het vasteland en op het eiland staan restanten van burchten.

Rul zand
Het is negen uur en we houden onze eerste ochtendpauze. Een glas sinaasappelsap is geen overbodige luxe, we weten op dat moment nog niet dat ons nog vele kilometers door rul, diep en droog zand wachten. Het eerste stuk is zwaar, we betreuren het dat we thuis niet meer geoefend hebben. Het tweede deel loopt de kustlijn iets hoger, de wegen zijn harder. ’s Avonds in Milfontes deelt een onaardige waard ons mee dat we vóór negen uur geen ontbijt kunnen krijgen: ‘Het is hier geen hotel!’
De volgende ochtend vertrekken we om half acht en drinken een overheerlijk kopje koffie bij de benzinepomp om de hoek.

Kurkeiken
Eenmaal Milfontes uit lopen we al snel tussen kurkeiken, bamboeplantachtig gewas, lichte begroeiing, lang zeegras. Vooral vanochtend geen los zand maar gemakkelijk begaanbare paden. Opeens zien we kilometers achtereen reusachtige grasvelden. Terwijl de rest van het landschap in september in kleur varieert tussen okergeel en bruin, is dit gras te groen, te perfect getrimd. Het blijken de graszoden te zijn waarop de gouden benen van spelers van Benfica voetballen. Hier zijn kosten noch moeite bespaard. We zijn zo van slag dat we de afslag missen van onze Ruta Vicentina.
In Almograve, onze tweede halteplaats, duiken we op een terras neer met dorst en trek. We leren er een nieuwe vissoort kennen, perceves. De eendenmossel hebben we nog niet eerder op het menu gezien. De kok doet persoonlijk aan tafel voor hoe we de vis moeten aanpakken. Terloops wijst hij ons een onderkomen voor de nacht.

Met de taxi
We vertrekken de dag erop eigenlijk vrij laat, de zon staat al hoog. We zien op de kaart dat er tot Cabo Sartáo zes kilometer zand op ons wacht en besluiten een taxi te nemen naar Cabo Sartáo. Foei! Dat past niet bij LAW’s maar we zijn senioren en dan openen er weer andere deuren. In de lente komen zigeuners uit het hele land samen in Cabo Sartáo voor een groot feest. Er staat ook een vuurtoren uit vervlogen dagen. Cabo Sartáo is een prettig uitje voor dagjesmensen.
Op de kustlijn tussen Cabo Sartáo en Zambujeira staan honderden palen waarop ooievaars hun nesten bouwen. Onderweg zien we die nesten ook regelmatig op telefoonpalen, soms op drie verschillende hoogtes. Vanaf Cabo Sartáo is de tocht naar Zambujeira een makkie. Voor het eerst komen we andere wandelaars tegen. Op de stranden zien we wel regelmatig surfers.

Lange trappen
Aankomen in Zambujeira is een plezier. We hebben nog genoeg energie om het oord te bewonderen. Prachtig mooie stranden, een relaxte sfeer. We slapen er twee nachten. Als de zon ondergaat en de laatste surfers binnen komen, zien we de eerste vissers zich al installeren aan de waterkant. Bij zonsondergang zoeken honderden spreeuwen een slaapplaats in één boom, ze maken een ongelofelijke herrie. Bij zonsopgang herhaalt zich het concert, waarna ze uitzwermen en hun eigen leven leiden.
De stranden van Zambujeira zijn bereikbaar met lange trappen: 175 treden naar het mooie, verlaten strand, 95 treden naar het centrale strand. Het strand van Zambujeira is verraderlijk voor nieuwkomers die bij vloed aankomen, er liggen namelijk vlijmscherpe rotsstenen, in hoogte en lengte vergelijkbaar met de contouren van krokodillen. Zambujeira heeft een naaktstrand. Op het toegangsbord lezen we vooral waarschuwingen tegen ‘Escândalo’ (aanstoot).

De weg kwijt
Tijdens de laatste etappe zien we de eerste kasbebouwing, een frambozenplantage. Een van de plukkers stopt ons vol met overheerlijke frambozen. De plukker spreekt geen Portugees en legt ons in zijn beste Spaans uit dat we het er maar goed van moeten nemen, frambozen zijn duur in de winkels. Het is lunchtijd als we aankomen in Azendha do Mar. Er is één café-restaurant, tevens dorpscentrum. Na de soep met brood en olijven moeten we afdalen – weliswaar een afdaling met koord – maar daar wagen we ons niet aan. We volgen een parallelweg en raken van het rechte pad af. Vervolgens gaan we door eindeloze velden waar verkoolde restanten plastic, hout en andersoortig afval liggen. In de verte zien we meer industriële kassen staan. We moeten een klein riviertje over om weer in de richting van de duinen te kunnen lopen. Pas na een aantal pogingen lukt het. Blijkbaar heeft iemand voor ons hetzelfde probleem ondervonden want er ligt een loopplank. Gered!

Het laatste bed
De rest laat zich moeiteloos lopen. Hier en daar staan runderen, in de verte grazen kuddes schapen en geiten. Er zijn weinig runderen tussen de kurkeiken, ze kunnen namelijk de wortels van de bomen beschadigen. Kurkeiken zijn ‘heilig’ in Portugal en brengen veel geld op. De mooie grote kurken worden wereldwijd door grote wijnhuizen opgekocht, de restanten worden verwerkt tot tassen en prullaria voor toeristen.
Dan ligt Odeceixe voor ons. Maar schijn bedriegt. We moeten nog een rivier over en de brug ligt zo’n vijf kilometer verderop. De brug vormt de grens tussen Alentejo en Algarve. Odeceixe is een kleinere plaats met een paar toeristische voorzieningen. Het café op het dorpsplein stuurt ons naar het pension, gerund door de overbuurvrouw, een oudere dame. Ze geeft ons het laatste bed.
 

 

November 2012

Eén reactie

  1. l.s.
    enthousiast geworden door een artikel in Op lemen voeten kwam ik jullie verhaal tegen. mag ik een paar vragen stellen?
    welke tijd? loop je van noord naar zuid of andersom? hoe terug naar Lissabon? Geschatte overnachtingskosten? Gemiddelde dagafstand?
    Alvast bedankt voor je moeite, Hans

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.