Over de zeebodem

Tekst: Hans Cuppen

Praktische informatie

Wadlooptochten worden doorgaans gelopen van mei tot oktober. Er zijn meerdere organisaties die wadlooptochten aanbieden. Ik koos voor ‘De Vrije Wadlopers’. Deze niet-commerciële vereniging biedt voor groepen van maximaal 12 deelnemers zowel een gevarieerd vast programma van wadlooptochten als tochten op maat aan. Kijk voor meer informatie over wadlopen en over ‘De Vrije Wadlopers’ op www.vrijewadlopers.nl/.


Artikel

Print Friendly

Een bijzonder besef is wandelen over de zeebodem. Dat kan bij laagwater op de Waddenzee. Jaarlijks maken zo’n 50.000 wadlopers er onder begeleiding een zwerftocht of lopen naar een van de Waddeneilanden. Ik waagde met een gids de oversteek naar Ameland.

De wekker gaat om 3.30 uur. Korte broek, T-shirt, hoge schoenen aan. De rugzak met waterdicht verpakte kleren staat al klaar. Broodjes, flessen water mee en op weg. Het is nog donker. Op de A9 is het on-Nederlands leeg. In de Wieringermeer, op de Afsluitdijk en in Friesland komen mij spaarzaam tegenliggers tegemoet. Terwijl de ochtendschemering zich aandient verwen ik mezelf met sonates van Bach.

Onzichtbaar
Even voor zessen ontmoet ik de gids Melle ten Kate op de pier bij Holwerd. Daarvandaan vertrekt de veerboot naar Ameland. We parkeren de auto’s op het reusachtige parkeerterrein. We hangen de rugzakken om en steken een lage afscheiding over. Voor ik het weet sta ik met beide voeten in de smurrie. Bewust laat ik de aanvechting varen mijn schoenen schoon te houden, dat gaat vandaag niet lukken. Ameland ligt hemelsbreed slechts 4½ kilometer noordelijker maar is onzichtbaar. Het is heiig. Nederland wacht vandaag temperaturen van boven de dertig graden. Maar zo vroeg in de ochtend laat de zon zich gesluierd zien en voelt het nog aangenaam. Ik geniet van de immense en lege weidsheid. Het eerste deel van de elf kilometer lange oversteek voert oostelijk en parallel aan de Friese kust. We passeren verschillende rijsdammen: opgetrokken uit berken- en wilgentakken. Ooit zorgden ze voor landaanwinning, nu staan ze er nog slechts om ecologische redenen.

Wantij
Melle ten Kate wijst me op het kerkje van Ternaard, een baken voor gidsen. ‘Als de torenspits voor tweederde achter die bomen is geschoven, buigen we af naar het noorden. Daarna volgen we het wantij.’ Ik kijk hem vragend aan en hij legt uit. Het wantij blijkt de plaats waar de vloedstromen van de beide zeegaten aan weerszijden van een eiland elkaar ontmoeten. Op die plek is de vloedstroom het zwakst en bezinkt het meeste slib. Er is weliswaar sprake van getijden maar nauwelijks stroming. Daardoor is het wantij de meest ondiepe zone en de optimale route om te wadlopen.

Ten Kate’s groep is vandaag klein: zijn zwager, diens Engelse vriend en ik. Voortdurend houdt hij zijn drie deelnemers in de gaten. Hij vraagt regelmatig hoe het ons vergaat. Zo nu en dan klinkt uit de marifoon de kustwacht van Schiermonnikoog. De gids onderhoudt er een permanente verbinding mee. De krakende stem somt de waterstanden op, die onze gids vergelijkt met de tabelgegevens die hij zelf heeft opgesteld. ‘Om tien uur is het laag water, dan moeten we de laatste vaargeul zijn gepasseerd.’ Melle raadpleegt zijn horloge en constateert dat we voorlopen op het tijdschema.

Hoge eisen
Wadlopen gebeurt verantwoord. Desondanks doen zich sporadisch calamiteiten voor. Een groep wordt overvallen door het getij, een deelnemer raakt onwel. Logisch dat aan gidsen hoge eisen worden gesteld. Ten Kate: ‘We moeten kunnen navigeren met kaart en kompas, weersomstandigheden en –veranderingen herkennen en alles weten over getijden en bodemleer.’ Maar niet alleen de veiligheid voor de wadloper wordt gediend. De Waddenzee staat sinds 26 juni 2009 op de Unesco-Werelderfgoedlijst. Om het unieke natuurgebied te beschermen limiteert de overheid de aantallen wadlopers. Zo zijn de betrokken provincies Noord-Holland, Friesland en Groningen in nauw overleg met de wadlooporganisaties in het ‘Convenant Wadlopen 2008-2013’ quoteringen overeengekomen. De Vrije Wadlopers met hun twintig ervaren gidsen mogen als kleine A-organisatie jaarlijks maximaal duizend en per tocht tot honderd deelnemers begeleiden.

Pionieren
Maar dat laatste willen ze niet. Ten Kate: ‘We hebben een nieuwe vereniging opgericht omdat we niet commercieel maar juist kleinschalig willen opereren. Bij ons bestaan de groepen uit maximaal twaalf deelnemers. Bovendien willen we de vrijheid behouden alleen of met een andere gids het wad op te gaan. Zomaar, of om nieuwe routes te verkennen. We noemen ons niet voor niets vrije wadlopers.’ Om die vrijheid te illustreren vertelt Melle ten Kate dat hij over twee weken samen met een collega-gids voor verkenning eropuit trekt naar Terschelling. ‘We hebben de route al bijna geheel in kaart gebracht maar er ontbreken nog enkele delen.’

Vooral dat pionieren spreekt Ten Kate aan. Hij groeide als kind op in de Wieringermeer. Voor zijn hobby van piersteken moest hij het wad op. Zodoende ontdekte hij het wadlopen. Jarenlang nam hij deel aan tochten en interesseerde zich gaandeweg meer en meer voor het gidsen. Naast zijn baan als fysiotherapeut volgde hij de gidsenopleiding. Sinds 2006 mag hij zich officieel wadloopgids noemen. Hij begeleidt jaarlijks vijftig tochten en loopt er circa tien in zijn eentje.

Schijn bedriegt
Slikvelden maken plaats voor relatief harde ondergrond. Onderweg wijst Ten Kate ons op de bijzondere vegetatie zoals kokkels, met Japanse oesters overwoekerde mosselvelden, zeekraal, wadpieren, kokerwormpjes en nonnetjes. Tal van foeragerende vogelsoorten doen zich er te goed aan wat de voedselrijke Waddenbodem voortbrengt. Dan bekruipt mij plotseling het beangstigende besef dat, waar we nu lopen op een nagenoeg drooggevallen zeebodem, over slechts enkele uren weer anderhalve meter water staat. Veel tijd voor enge gedachten krijg ik niet, de eerste vaargeul dient zich aan. We doorwaden er vandaag meerdere, die namen dragen als Willemienegaatje, Visbuurtergaatje en Zuiderspruit.
We kruisen de laatste, die door toeristische boten wordt bevaren, ter hoogte van boei 32. Volgens de peilstok van Ten Kate blijkt de geul 75 centimeter diep. Ik voel de stroming.

Het is half tien. De zon breekt door en ondanks het vroege tijdstip voelt het al warm. De kustlijn van Ameland tekent zich steeds duidelijker af. De duinen, het boorplatform ten noorden van het eiland, de huizen schijnen slechts honderden meters verwijderd. Maar schijn bedriegt. Ten Kate toont ons op de kaart de plek waar we staan. We hebben nog bijna drie kilometer te gaan; bovendien behoorlijk zware kilometers, door slikvelden.

Aan land!
Uiteindelijk komen we bij een strandje aan land. Daarvandaan is het nog twee kilometer lopen naar een boerderij in de Kooiplaats, oostelijk van het plaatsje Buren. Daar schrobben we het opgedroogde slik van de benen en verkleden we ons.

Na de overtocht met de veerboot verruil ik ruimte, leegte en stilte voor de Randstad.

 

 

Maart 2012 (geactualiseerde informatie; oorspronkelijke artikel uit: Juli 2010)

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.