Extremadura: Landschap van de dehesa

Tekst: Jan van der Straaten    Foto's: Saxifraga, verschillende fotografen

Kaart

Praktische informatie

Het voorjaar is de beste tijd om Extramadura te bezoeken.

Extramadura ligt circa 2.000 autokilometers van Utrecht.

Het beste alternatief is vliegen op Madrid. Het aanbod van autoverhuurbedrijven op het vliegveld is groot. Afstand Madrid-Extramadura bedraagt ruim 200 kilometer.

In Extramadura zijn weinig campings. In de meeste dorpen zijn hotels en B&B’s (casas rurales). Klik hier voor een Engelstalig of hier voor Spaanstalig overzicht.

Wandel- of routekaarten zijn slechts te koop in bezoekerscentra en dergelijke.
Het beste gidsje voor Extremadura is de Crossbill Guide Extremadura (KNNV Uitgeverij, Zeist). Klik hier voor meer informatie. In het gidsje zijn wandelingen opgenomen met bijhorende kaartjes. Hoe dan ook is het aantal wandelroutes in het gebied dun bezaaid.


Artikel

Print Friendly

Op de grens van Spanje en Portugal ligt de regio Extramadura. Je treft er het zogenaamde dehesalandschap aan maar ook steppes. Het vormt een ideale biotoop voor spectaculaire vogels als vale gieren, steenarenden en zwarte ooievaars.

We zijn gewend om een verzameling bomen een bos te noemen. En bij een steppe zijn er nauwelijks of geen bomen, maar is er een spaarzame begroeiing van ijle grassen en kruiden.

Dunbevolkt
Het dehesalandschap is noch het een noch het ander. Er groeien ijle grassen en kruiden, maar er groeien ook kurk- en steeneiken. Die staan echter zo ver van elkaar dat het geen bos is. Dit bijzondere landschap vind je alleen in midden-Spanje en Portugal, met name in de Spaanse provincies Cáceres en Badajoz, die samen de regio Extremadura vormen. Dit landschap is ontstaan door een extensieve vorm van landgebruik in een zeer dun bevolkt gebied. Er wonen 27 inwoners per vierkante kilometer. De steden uitgezonderd daalt de bevolkingsdichtheid onder de 10 inwoners per vierkante kilometer. De bodem bestaat uit zuur rotsachtig gesteente met een dunne humuslaag.

Extensieve landbouw
In zo’n gebied met zo weinig mensen is ‘normale’ landbouw nauwelijks mogelijk. Akkertjes vind je alleen vlakbij de schaarse dorpen. De dorpen liggen tientallen kilometers van elkaar en de gebieden tussen de dorpen worden meestal begraasd door koeien en varkens. De hacienda’s (boerderijen met een landgoedkarakter) zijn vele honderden hectare groot. De graasgebieden worden omheind en daarbinnen kan het vee zijn gang gaan. De koeien eten het ijle gras en de kruiden en de varkens zijn dol op de eikels van de steeneiken en de kurkeiken. Die laatste worden ook geëxploiteerd voor het winnen van kurk. Die exploitatie gaat de laatste jaren steeds moeilijker, nu veel wijnboeren draaidoppen op hun flessen doen en de kurk laten liggen. De varkens die hier gefokt worden zijn zwart. Doordat ze vrij rondlopen krijgt hun vlees een aparte smaak. De ham van deze varkens is een delicatesse en die in Nederlandse speciaalzaken als Jamon Iberico wordt verkocht.

Monfragüe
Ontegenzeggelijk is met 18.000 ha het Nationaal Park Monfrague het meest spectaculaire natuurgebied in deze regio. Bosbouwers hadden in de jaren zeventig hun oog laten vallen op dit gebied en plantten het vol met snelgroeiende eucalyptusbomen. Die zijn aantrekkelijk omdat er snel hout geoogst kan worden. Maar op deze manier wordt het ecosysteem van de dehesa zeer nadelig beïnvloed. Natuurbeschermers gingen de strijd aan met de bosbouwers en hebben die uiteindelijk gewonnen. In 1979 werd een deel natuurreservaat en in 2007 een nationaal park. De natuurbeschermers hebben direct alle eucalyptusbomen gekapt en er steen- en kurkeiken voor in de plaats gezet; een gigantisch karwei over een grote oppervlakte.

Rots van de valken
Centraal in het nationaal park staat de Penafalcon, ook wel de rots van de valken, een rots van ruim honderd meter hoog langs de gestuwde Tajo. De rots is een prima broedgebied voor vale gieren, aasgieren, steenarenden en zwarte ooievaars. Deze vogels fourageren in de dehesa, die rondom de rots ligt. Het is er een voortdurend komen en gaan van spectaculaire vogels. Wanneer je de rotsen afzoekt, zul je zeker ook een blauwe rotslijster in de kijker krijgen. Vooral de vale gieren vliegen vaak laag over, wat een spectaculair schouwspel oplevert.
Tegenover de rots ligt een rotskam, waar zowel vanuit het noorden als het zuiden een pad naar toe loopt. Het noordelijke pad begint bij het stuwmeer en loopt door een prachtig mediterraan bos. In het bos stuit je regelmatig op de Arbutus unedo, de aardbeiboom. Rijpe vruchten lijken inderdaad op een aardbei. Deze boom is de waardplant van de pasja, één van de grootste en kleurrijkste Europese vlinders en die alleen voorkomt bij aardbeibomen. Boven op de kam, recht tegenover de Penafalcon, staat een klein kasteeltje. Vanaf die plek heb je een prachtig uitzicht over het dehesalandschap van de steen- en kurkeiken. Vale gieren komen er op ooghoogte voorbij. Iets verderop langs de weg ligt het dorpje Villarreal de San Carlos. Er is een bezoekerscentrum, waar een kaart met enkele wandelroutes in de omgeving verkrijgbaar is.

Steppe
De omgeving van Trujillo is heel anders. Daar overheerst de steppe. De humuslaag is dun en er liggen veel afgeschuurde rotsen en rotsplaten. Steen- en kurkeiken zijn er vrijwel verdwenen. Er vliegt weleens een vale gier over, maar hier leven toch heel andere vogelsoorten, zoals grote en kleine trappen. Mannetjes van de grote trappen kunnen wel 10 kilo wegen. Ze hebben een typisch baltsgedrag, waarbij ze hun veren opzetten om vrouwtjes te verleiden om met hen te paren. Ze zijn schuw en op een afstand van een paar honderd meter lopen ze al weg en verlies je ze uit het oog. Het zijn echte steppevogels, die je ook op de puszta van Hongarije tegenkomt.
Ook grauwe kiekendieven kom je er regelmatig tegen. Ze zoeken al vliegend het gebied af naar prooien. Het zijn ranke roofvogels, die ook op de graanakkers van Oost-Groningen broeden. Omdat het een stenig gebied is, hebben boeren vaak muurtjes gestapeld van losse stenen; prima broedplaatsen voor steenuilen.

Ooievaars
De stad Trujillo is een bezoek waard. Vroegere inwoners hebben een grote rol gespeeld bij de verovering van Zuid-Amerika. Zo staat er op het centrale plein een groot ruiterstandbeeld van Francisco Pizarro, de conquistador van Peru. In Zuid-Amerika zijn dan ook nogal wat steden vernoemd naar het Spaanse Trujillo.
Ooievaars hebben massaal nesten gebouwd op de daken van de gebouwen rondom het centrale plein. Ze fourageren op de steppes rondom de stad. In het voorjaar is het dan ook een hele drukte en vliegen de ooievaars af en aan. Vanaf een hoog gelegen punt kijk je boven op de ooievaars, die vlakbij rondvliegen. De torenvalken die je hier ziet zijn kleine torenvalken. Ze broeden volop in gaten van muren en onder dakpannen. Ze zijn kleiner en ranker dan de gewone torenvalk. Ze jagen op vliegende insecten, waarbij hun ranke bouw en wendbaarheid van pas komt.

Rio Almonte
Wie vanuit Monfrague via de EX 208 naar het zuiden rijdt, zal ervaren hoe leeg het gebied is. Je ziet er slechts steppes en dehesa. Na ongeveer 25 kilometer rijden door dit lege landschap, volgt een brug over de Rio Almonte. Van daar kun je naar beide kanten langs het riviertje lopen en waar je een geheel andere biotoop aantreft. Het is er natter en de vegetatie staat overal hoog. Je vindt er een keur aan flora en fauna, die kenmerkend is voor het gebied. Bij de brug zonnen vaak hagedissen; lacerta lepida’s, in het Nederlands parelhagedissen. In de beek zie je met een beetje geluk Moorse beekschildpadden, zonnend op een rotsblok.

Maart 2017

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.