De zwarte bladzijde van de Somme

Tekst: Hans Cuppen    Foto's: Joke Apswoude

Kaart

Praktische informatie

Reis en verblijf
Het beschreven gebied ligt op ruim 300 km rijden van Utrecht. Het departement Somme maakt deel uit van de regio Picardië. Overnachtingsmogelijkheden zijn er beperkt, alleen grotere plaatsen als Albert en Péronne beschikken over hotels.

Wandelingen
De website van het departement Somme (www.somme.fr/transverse/nos-publications/publications/les-randonnees/randonnee-promenades-et-randonnees-pedestres-grand-amienois.html) stelt gratis wandelingen beschikbaar (‘Promenades et randonnées pédestres – Grand Amiénois’). Wij hebben daaruit de wandelingen 7 (‘Circuit du Caribou’: 8 km) en 8 (‘Autour du Mémorial de Thiepval’: 13,5 km) gedaan. Beide routes liggen in het hart van het Somme-front en leiden langs talloze militaire begraafplaatsen en oorlogsmonumenten. De wandeling bij Bécourt e.o. stelden we zelf samen.

Musea
Aanbevolen musea:
Musée Somme 1916: Rue Anicet Godin in Albert (www.musee-somme-1916.eu).
Historial de la Grande Guerre: Château de Péronne in Péronne (www.historial.org).

Boeken
Aanbevolen boeken over de Slag van de Somme:
‘De slag van de Somme 1916’ van Koen Koch, ISBN13: 9789041410979.
‘Somme 1916’ van Lyn Macdonald, ISBN13: 9789076341477.
‘Velden van Weleer’ van Chrisje en Kees Brants, ISBN13: 9789038803371.

Websites
Menno Wielinga stelde een zeer informatieve website over de Eerste Wereldoorlog samen: www.wereldoorlog1418.nl.


Artikel

Print Friendly

De Slag van de Somme is een zwarte bladzijde in de Britse militaire geschiedenis. In Kitchener’s Army verloor Groot-Brittannië een generatie jonge mannen en was daarmee een trauma rijker. Bij velen wekt het horen van lieflijk klinkende plaatsnamen als Thiepval, Fricourt, Hamel en La Boisselle huiveringwekkende associaties op.

Kan oorlog erger zijn dan erg? In het departement Somme lijkt dat het geval. Een bezoek aan de driehoek Albert, Péronne, Bapaume dwingt af dat je spreekt in superlatieven. In 1916 werd er alles boven het maaiveld weggevaagd. De glooiende heuvels veranderden in een maanlandschap. Hier vielen 1,3 miljoen slachtoffers. Dit stukje Picardië van tweehonderd vierkante kilometers ligt bezaaid met honderden militaire begraafplaatsen en monumenten. Het zijn stuk voor stuk pelgrimsoorden.

Kitchener’s Army
Thiepval is zo’n pelgrimsoord. Auto’s en bussen rijden er af en aan, de meeste met Brits kenteken. In het bezoekerscentrum is het druk en benauwd. De tientallen bezoekers vergapen er zich aan het beeldmateriaal. Dat vertelt het verhaal van een generatie jonge mannen die werd geslachtofferd voor vermeende hoge doelen. Aan Britse zijde was dat Kitchener’s Army, een leger van honderdduizenden vrijwilligers. Die waren door Kitchener, de toenmalige Britse minister van Oorlog, geronseld. Onder het motto your country needs you bonden ze namens volk en vaderland op Franse bodem de strijd aan met de Duitsers. De rekruten werden niet of nauwelijks voorbereid op de loopgraven, de modder, de luizen en de ratten, het prikkeldraad, het slechte voedsel, de dagenlange beschietingen, het lawaai en de doodsangsten aan het front. Een aanzienlijk deel van die Pals’s Bataillons ligt in diezelfde Franse bodem begraven. Zij die waren te identificeren, kregen een eigen graf. De rest wordt herdacht als vermist.

Baken in het landschap
Aangedaan door de afgrijselijke foto’s en de verhalen over zo veel leed lopen de bezoekers daarna in gepaste tred naar het Memorial of the missing. Dat is gebouwd ter nagedachtenis aan ruim 73000 vermiste Britse soldaten. Hun namen zijn gegraveerd in de wanden van het immense bouwwerk.
Ooit was Thiepval een aanzienlijk dorp met een heus kasteel. Maar ook Thiepval verdween in zijn geheel van de aardbodem. Na La Grande Guerre is het niet meer dan een gehucht. Om de herbouwde kerk staan wat huizen. En natuurlijk is er het Memorial, dat tijdens onze wandeling voortdurend zal opduiken, als een baken in het landschap. Thiepval heeft één kruispunt, bij de kerk, waar de D73 en de D151 elkaar ontmoeten. Op de vier hoeken staat een wirwar aan groene bordjes die verwijzen naar talloze militaire begraafplaatsen. Het is overduidelijk, we staan hier in het hart van het gebied waar de Slag van de Somme plaatshad. We volgen de D151 tot aan het begraafplaatsje van Thiepval met niet meer dan tien grafstenen, van na 1918. Omdat de bevolking bijtijds werd geëvacueerd, telde de Eerste Wereldoorlog relatief weinig burgerslachtoffers. We verlaten de weg en volgen een breed pad dwars door de velden. Links staat deels verscholen achter een bomenrij het kasteelachtig monument van de 36ste Ulster divisie. Het was hun taak de Duitsers uit een fortificatie te verdrijven, de Schwaben Redoubt. Dat lukte pas na drie maanden. Honderden Ieren konden het niet navertellen.

Douglas Haig
Het verhaal van de 36ste Ulter divisie is niet uniek. Het Britse front was twintig kilometer lang en liep van Serre naar Maricourt. Overal en bij voortduring gingen Britse eenheden over the top, vaak op weg naar strategisch onhaalbare aanvalsdoelen. Opperbevelhebber Douglas Haig van Kitchener’s Army ontzag niets en niemand. Hij achtte het lijden van massale verliezen een bewijs van militaire competentie.
Voorbij het ‘Ulster kasteeltje’ ligt het dal van de Ancre. Het zijriviertje van de Somme is hier niet veel breder dan een stroompje. Een inwoner van het gehucht St. Pierre-Divion heeft de lantaarnpaal voor zijn huis versierd met een Duitse helm en een granaathuls. We kruisen de D73, die tussen Thiepval en Hamel de betekenisvolle en sinistere naam Bloody Road kreeg. Dit stukje weg volgt precies de frontlijn van 1 juli 1916. Vanuit dit dal moest de Britse 32ste divisie een kilometer niemandsland oversteken om het boven op de heuvel gelegen Thiepval te veroveren. De oprukkende Britten waren voor de Duitsers niet te missen doelwitten, als schietschijven op een kermis.
Waar wij zojuist een uurtje over hebben gelopen kostte de Britten in 1916 bijna drie maanden. Pas op 26 september werd Thiepval, eigenlijk meer de smeulende restanten ervan, op de Duitsers veroverd.

Gekerm
Vanaf Bloody Road lopen we het Bois d’Authuille in. Het bos was in Britse handen en hier werden de gewonden behandeld. Volgens opzet moest dat in eerste instantie gebeuren door de regimentsdokter. Zwaarder gewonden werden vervoerd naar field dressing stations in de reservelinies of naar casualty clearing stations nog verder naar achteren. Diegenen die er het ergst aan toe waren zouden worden behandeld in gewone ziekenhuizen in Frankrijk of Engeland.
Door de immense aantallen gewonden bleek die geplande logistiek van medische zorg volstrekt ontoereikend. Nu zijn wij de enigen in het bos en is het er angstaanjagend stil. In de zomer van 1916 hoorde het verplegend personeel volgens de overlevering ’s nachts vanaf hier het angstaanjagende gekerm van talloze achtergebleven gewonden in niemandsland. Zij die op eigen kracht de eigen linies wisten te bereiken moesten op hun beurt wachten. Chirurgen en verplegend personeel draaiden overuren. Op ‘topdagen’ behandelden zij 1500 gewonden.

Known unto God
De volgende dag wandelen we vanuit Albert over de verlaten D5 naar Bécourt. In diezelfde oostelijke richting rukten de Royal Scots van de 34ste divisie op. Hun loopgraven van waaruit ze over the top gingen droegen Schotse namen als Aberdeen en Dundee. De Schotten konden hun vijand letterlijk zien en horen. Het niemandsland was hier niet breder dan 45 meter. Het verging de Schotten even slecht als hun kameraden bij Thiepval. Op het Bécourt Military Cemetery liggen de graven van 705 Britten keurig op een rij. Zij die op dezelfde dag sneuvelden, liggen pal naast elkaar.
Op elk begraafplaats zie je de bekende rijen en honderden witte stenen. Op iedere steen een afbeelding van het regimentsembleem. Daaronder het nummer, de naam en de leeftijd van het slachtoffer. Soms nog een spreuk door de familie. Lichamen of delen daarvan die de vinders niet meer tot een identiteit konden terugvoeren, zijn bedacht met Known unto God. Zo heeft Groot-Brittannië in dit stukje Picardië een hele generatie begraven, steen na steen, rij na rij, begraafplaats na begraafplaats.

Vijf Duitsers
Het jachtseizoen is begonnen, schoten uit de omliggende heuvels verstoren de vredige rust op het begraafplaats. Moorden is menselijk. In de Eerste Wereldoorlog ging het om jonge mannen, nu zijn fazanten het slachtoffer.
We drinken koffie in Old Blighty in La Boisselle. De eigenaresse vertelt zonder blikken of blozen dat ze twee jaar geleden haar tuin renoveerde en toen stuitte op de stoffelijke resten van vijf Duitse soldaten. Inwoners van deze regio kijken niet meer op van gruwelijke vondsten als deze, die ze nog jaarlijks doen.
Zoals andere horecagelegenheden is ook deze uitspanning een privémuseum. In een vitrinekast liggen de trofeeën die de uitbaatster en haar man in de directe omgeving verzamelden. Op de grond staat een doos met granaatkoppen. Ze kosten tien euro per stuk. Ik kan de verleiding niet weerstaan en koop voor we vertrekken mijn eigen trofee.
Het is eind september. De akkers zijn grotendeels ontdaan van hun gewassen en vers omgeploegd, waarbij de machines diepe sporen in het veld hebben achtergelaten. We struikelen bijna letterlijk over de verroeste restanten van de slag der slagen. De kleiige velden braken jaarlijks duizenden kilo’s aan verroest oorlogstuig uit.

Site Touristique
Ter inleiding van het grootschalige offensief van 1 juli 1916 hadden de Britten mijnen gelegd onder Duitse verdedigingswerken. Die mijnen werden op die eerste juli, vlak vóór het moment dat tienduizenden Britten over the top gingen, tot ontploffing gebracht. Buiten La Boisselle ligt de Lochnagar krater, het resultaat van La Grande Mine. Een bordje langs de kant van de weg met Site Touristique kondigt een gapend gat aan met een doorsnede van tachtig en een diepte van dertig meter. In 1978 kocht de Brit Richard Dunning de krater om deze als historisch erfgoed te behouden. Ieder jaar op 1 juli, om halfacht ‘s morgens, wordt bij de Lochnagar krater de Slag van de Somme herdacht.

Vader en zoon
Bij Bécordel-Bécourt, vlakbij de weg tussen Albert en Péronne, ligt Dartmoor Cemetery. Er liggen 768 soldaten begraven. Voor vandaag is het ons laatste begraafplaats. Uit respect voor de doden nemen we de tijd en lopen we ook op deze dodenakker langs de stenen. We blijven staan voor de graven van sergeant George Lee en korporaal Robert Lee. De nummers 6029 en 71939 van de Royal Field Artillery sneuvelden allebei op 5 september 1916. De vader was vierenveertig, de zoon negentien. Zoveel triestheid is nauwelijks te bevatten.
Vader en zoon Lee en al hun gesneuvelde kameraden zijn opgeofferd aan de misvatting dat oorlog aan oorlog een einde kan maken.

 

April 2012 (geactualiseerde informatie; oorspronkelijke artikel uit: Najaar 2008)

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.