Vroegeling

Sommige planten hebben hun kans schoon gezien en hebben de laatste jaren gebruik gemaakt van de voor hen geschikte plekken in de versteende stad. Op bepaalde plaatsen is er tussen alle stenen een plekje te vinden, dat erg lijkt op de natuurlijke omstandigheden in het buitengebied. Sommige soorten zijn opvallend. De opslag van Buddleja bijvoorbeeld met zijn mooie tuilen met blauwe of witte bloemen op ruige terreintjes zal niemand ontgaan.

Rozetje
Maar andere soorten vallen helemaal niet op. De meest onopvallende soort is zeker de Vroegeling. Vroegeling is een kruisbloemige, die verwant is aan soorten als Judaspenning en Herderstasje. Het is maar enkele centimeters hoog en het bloeit heel vroeg in het seizoen. Het heeft mooie witte bloempjes, die aan het einde van een kort stengeltje staan. Een kruisbloemige heeft vier kroonblaadjes. Bij de Vroegeling zijn de kroonblaadjes weer ingesneden, zodat er een bloem met acht slipjes is. De bladeren vormen een rozetje, dat al in de herfst wordt gevormd. Als de winter niet veel voorstelt en eind februari de eerste zachte dagen komen, is de Vroegeling al heel gauw present. Met de eerste zachte dagen vliegt hij de grond uit.

Linnaeus
De Vroegeling heeft botanici hoofdbrekens gekost. De plant past namelijk zelfbestuiving toe, meestal gebeurt dat als ze nog in knop staan. Het gevolg is, dat alle nieuwe Vroegelingen in een bepaald gebied een kloon zijn van een verre voorouder. Daardoor zien de planten er niet overal in Europa hetzelfde uit. Men heeft daarom destijds de soort verder opgedeeld in allerlei kleine soorten, die inderdaad een beetje van elkaar verschillen. Zulke kleine soorten kwamen uiteraard alleen in een klein afgebakend gebied voor, waar ze genetisch identiek waren. Maar tegenwoordig gooit men al deze kleine verschillen op één hoop en heet de plant Erophila verna, de naam die Linnaeus er een paar eeuwen geleden aan gaf.

Boomspiegels
Vroegeling is een heel algemene plant, die op allerlei plekken te vinden is. Hij staat in het gras langs dijkjes, vooral als het gras niet te dicht staat. Je vindt hem in plantsoentjes op de kale bodem en bijvoorbeeld ook op begraafplaatsen. In de stad komt hij vooral voor in kleine plantsoentjes, half onder de struiken en op boomspiegels. Daaronder verstaat men de kale grond rondom stadsbomen op het trottoir. Daar vind je overigens wel meer leuke plantjes. Als de trottoirtegels in de omgeving van boomspiegels niet al te strak tegen elkaar aan liggen, ziet hij zijn kans schoon om op te slaan in de naden tussen de tegels.

Door de knieën
Als je alleen maar zo eens wat rondkijkt, is de kans dat je de plantjes vindt niet groot. De stengels zijn maar een paar centimeter hoog en je ziet ze eigenlijk alleen maar als ze met hun witte bloemen in bloei staan. Als ze dicht op elkaar staan, vallen ze wel op. Je moet echt door de knieën en de tegels en boomspiegels afspeuren en dan plotseling staan ze daar. Als je het niet lukt om ze in het voorjaar te vinden, wacht je gewoon tot na de bloeitijd. Als de planten zijn uitgebloeid, springen de schotjes van de vruchten los en die staan dan bovenaan de korte stengeltjes opvallend te wezen. Ook dat is met enig speuren goed te vinden. Maar als eenmaal de zomer in het land is, drogen de standplaatsen uit en is er onvoldoende vocht voor de plant tussen de tegels. De plant droogt helemaal uit en in juli is alles verdwenen. Het is alsof de kleine bloempjes er nooit zijn geweest. In de herfst worden de rozetjes weer gevormd. Maar die vind je alleen maar als je in het voorjaar de precieze standplaatsen hebt gevonden, zo onopvallend is zo’n klein rozetje.

Natuur in de stad (1)

Kennelijk is natuur niet voor iedereen een begerenswaardige zaak. De dichter Bloem hield het voor een stukje bos ter grootte van een krant of een heuvel met wat villaatjes ertegen.* Voor onderwijzer-natuurbeschermer Thijsse was natuur overal in Nederland aanwezig: het boerenland met zijn slootjes en weilanden vol bloemen, de rivieren en de duinen. Van dat rijk geschakeerde boerenland is niet veel meer over. Natuur is tegenwoordig vooral ruig en wild, met herten en grote grazende runderen.

En de stad? Vroeger was de stad de tegenhanger van de natuur. Dat waren huizen, stenen, bruggen en straten. Natuur was daar ver te zoeken. Sommige steden hebben nog steeds het idee van een groene mal om de stad: dan blijft er in de buurt van de stad tenminste nog natuur over. In dat idee is de stad de vijand van de natuur. Maar de maïsakkers en de groene biljartlakens van het huidige boerenland rondom de stad hebben niet veel meer van doen met natuur: het zijn de industrieterreinen van de intensieve landbouw geworden. Een groene mal om de stad is gebaseerd op een beeld van het boerenland dat alleen nog in de herinnering bestaat.

Met het verdwijnen van de natuur rondom de stad, komt de vraag op naar de natuur in de stad. Is de stad wel de vijand van de natuur? Kan er geen symbiose zijn van wonen, werken en natuur? Onderzoek wijst uit dat het aantal plantensoorten in de stad aanzienlijk groter is dan op het huidige boerenland. Steeds meer probeert men nieuwe wijken een groen karakter te geven.

Over de natuur in de stad gaat deze rubriek van onze medewerker Jan van der Straaten. Dit is de eerste aflevering.

J.C. Bloem, begin van het gedicht De Dapperstraat:

Natuur is voor tevredenen of legen. En dan: wat is natuur nog in dit land? Een stukje bos, ter grootte van een krant, Een heuvel met wat villaatjes ertegen.